De relatieve luchtvochtigheid is een verhouding die aangeeft hoeveel waterdamp lucht bevat ten opzichte van de maximale hoeveelheid waterdamp die de lucht kan bevatten. Een waarde van 100% wijst op de maximale hoeveelheid waterdamp: de lucht is dan verzadigd. Bij een relatieve luchtvochtigheid van 50% bevat de lucht de helft van de maximale hoeveelheid waterdamp. Hoe warmer lucht is hoe meer waterdamp deze kan bevatten

In een kamer die goed afgesloten is, daalt de relatieve luchtvochtigheid als er gestookt wordt, omdat de absolute hoeveelheid vocht in de lucht hetzelfde blijft en de warmere lucht veel meer vocht zou kunnen bevatten. Gaat de verwarming weer uit, dan stijgt de relatieve luchtvochtigheid weer. Ventileren helpt niet tegen een lage luchtvochtigheid, want wanneer de koude lucht van buiten de kamertemperatuur heeft bereikt is hij veel droger geworden, de relatieve luchtvochtigheid daalt immers door verwarmen.

Om dezelfde reden helpt ventilatie niet om veelvoorkomende vochtproblemen in kelders op te lossen. Deze vochtproblemen, die dan ’s zomers optreden, zijn het gevolg van condensatie aan koude keldermuren en vloeren. De warme en vochtige buitenlucht condenseert aan koude oppervlakten in de koele kelder. Hier helpt alleen luchtontvochtiging, bij voorkeur in combinatie met een beperking (!) van de ventilatie.

Vochtproblemen in een badkamer zijn vrijwel altijd het gevolg van condensatie. Dit ontstaat door de zeer hoge luchtvochtigheid, en dan vooral in combinatie met een matige isolatie. De lucht in de nabijheid van koude buitenmuren zal daardoor gemakkelijk tot onder het dauwpunt afkoelen waardoor die plaatsen nat worden en schimmelgroei kan ontstaan. Verwarmen helpt in een dergelijke situatie maar gedeeltelijk. De warme lucht neemt weliswaar meer vocht op, maar vervolgens condenseert die grotere hoeveelheid vocht op dezelfde koude oppervlakten. Op de door stook verwarmde oppervlakken (boven radiatoren) zal geen condensatie optreden. Deze vochtproblemen zullen verminderen door isolatie van de koude oppervlakten, en vooral door ventilatie van de zeer vochtige lucht.

Een grove indeling voor de relatieve luchtvochtigheid in huis is:

  1. onder 50%: laag
  2. 50 – 60%: matig
  3. boven 60%: hoog

De relatieve luchtvochtigheid binnenshuis is van belang voor mensen, dieren, planten, houten meubels, boeken, parket, elektronische apparatuur en muziekinstrumenten als de piano en de harp en slaginstrumenten met een niet-synthetisch vel (bijvoorbeeld geitenhuid enzovoorts) zoals de djembé.

De relatieve luchtvochtigheid beïnvloedt de verdamping. Hoe droger de lucht, hoe meer vocht mens, dier en plant zullen afstaan. Mens en dier kunnen droge slijmvliesen  krijgen, waardoor droge ogen, een droge neus en keelklachten kunnen optreden. Woestijplanen hebben weinig last van een lage relatieve luchtvochtigheid, ze hebben weinig huidmonjes, die ze ook nog kunnen afsluiten. Tropische zullen echter uitdrogen in droge kamers en kunnen beter in de warme kas worden gehouden. Houten meubels kunnen krimpen en scheuren in droge lucht en muziekinstrumenten raken ontstemd (gaan vals klinken).

Een hoge relatieve luchtvochtigheid kan ervoor zorgen dat men zijn vocht moeilijk kwijt kan, het vocht blijft in druppels op de huid staan en verdampt nauwelijks. Normaal gesproken zal hier binnenshuis geen sprake van zijn, maar in een warme kas kan het wel optreden.

Tegenwoordig zijn er luchtbevochtigers op de markt, die de relatieve luchtvochtigheid kunnen verhogen. Dat kan overigens ook met een waterkoker worden bereikt, of door de “klassieke” verdampingsbakjes aan radiatoren. In alle gevallen moet de verdampingswarmte worden geleverd.

Er bestaan ook luchtontvochtigers, die de lucht droger kunnen maken op plekken waar dat gewenst is. Luchtontvochtigers werken door koeling van de lucht, waardoor vocht condenseert, waarna de lucht weer wordt opgewarmd. Deze opwarming wordt bereikt met een warmtewisselaar waarbij de warmte uit de warme instromende lucht wordt gebruikt. Luchtontvochtigers kunnen bijvoorbeeld worden toegepast in badkamers en kelders om schimmelgroei tegen te gaan (niet: caravans, want deze trekken slechts even vochtige lucht uit hun omgeving aan)

 

Door gebruikers wordt over het algemeen vastgesteld dat ruimtes, die afgewerkt zijn met lemen producten, beschikken over een zeer behaaglijk klimaat dankzij een goede luchtvochtigheidsgraad. Een wetenschappelijke verklaring voor dit fenomeen is de laatste jaren tot in detail met succes onderzocht. [H.H. Holl/C. Ziegert, 2002]. Het bleek hierbij lastig om het verloop van luchtvochtigheid, onder invloed van het soort bouwmateriaal, te bepalen. Door deze metingen kan ventilatie preciezer worden berekend, of de kans op schimmelvorming nauwkeuriger worden ingeschat.

Hier manifesteert zich een wezenlijke kans van het materiaal leem met haar hoog vochtregulerend vermogen. Veel gebouwen hebben alleen een optimaal klimaat als de gebruiker ervan gedisciplineerd lucht: leem biedt een oplossing voor dit probleem.

Leem als bouwmateriaal accepteert een hogere foutmarge van bouwwerken. Nadat F. Otto in 1995 de invloed van sorptiegedrag aan de oppervlakte van bouwconstructies berekend had werd dit direct relevant geacht. Door deze resultaten konden W. Eckermann en anderen (2006) voor het eerst leembouwmaterialen testen op hun specifieke vochtbalans in een gecontroleerde testruimte.

Ook al is er aan de bouwkundige eisen van stabiliteit, brandveiligheid, warmte- en geluidisolatie voldaan, dan nog is het lastig om bij het bouwen en verbouwen te zorgen voor een aangenaam en gezond woon- en werkklimaat. Er worden steeds hogere eisen gesteld aan de warmte-isolatie (o.a. met betrekking tot duurzaamheid). Zo dient daarbij de gebouwschil luchtdicht te zijn om geen convectief warmteverlies op te laten treden. Het resultaat is een verminderde luchtcirculatie, waardoor de verontreiniging van de lucht toeneemt door verminderde verdunning. (BMVBW, 2001) Zo is ook de vorming van schimmel toegenomen in zowel nieuwbouw als in, voornamelijk, bestaande bouw. (BMBS, 1995) Door de afname van de luchtcirculatie wordt de regulerende functie van afbouwmaterialen belangrijk.

Lemen bouwstoffen zijn vrij van schadelijke stoffen in de afwerklaag, die nadelig zouden kunnen zijn voor de luchtkwaliteit in een ruimte. Een bijzonder grote rol speelt de eigenschap van deze materialen om de luchtvochtigheid van een ruimte te reguleren. Vanuit het oogpunt van gezondheid geldt een relatieve luchtvochtigheid (= RV) van 50% als optimaal en tot ongeveer 35% als behaaglijk. In geval van ziekte aan de luchtwegen wordt meestal een luchtvochtigheid van minstens 40% (en meer) aanbevolen. Voor muziekinstrumenten en kunstvoorwerpen moet de luchtvochtigheid in de ruimte strikt rondom 50% gehouden worden.  Een luchtvochtigheid tot 70% wordt als aangenaam ervaren. Hogere waarden hebben geen schadelijk effect op de gezondheid maar de atmosfeer wordt dan als benauwd ervaren. Problematisch bij deze waarden is ook de gemiddelde waterdampsorptie bij de onderzochte leempleisters vergeleken met reguliere pleisters (conform EN ISO 12571). Gips-, kalkgips-, kalkcementpleisters Leempleisters

LUCHTVOCHTIGHEID
Leem reguleert de luchtvochtigheid van een vertrek en draagt zo bij aan een gezond ruimteklimaat. Onderzoekingen aan het Forschungslabor für Experimentelles Bauen (FEB) aan de Universiteit van Kassel hebben uitgewezen, dat leemstenen, zgn. groenlingen, 30 maal zoveel vocht opnemen als gebakken stenen, als de luchtvochtigheid van 50% tot 80%  stijgt. De leemstenen bereiken bij een luchtvochtigheid van 95% na 30 tot 60 dagen een maximale vochtigheid van 5 tot 7% (gelijkgewichtvochtigheid). Ook na een opslag van 6 maanden in een ruimte met ongeveer 95% luchtvochtigheid werden de stenen niet zacht. Dit zou pas bij een watergehalte van 11 – 15% gebeuren. Metingen in een woonhuis in Kassel over een periode van 5 jaar wezen uit, dat de luchtvochtigheid konstant bleef over het hele jaar. Zij bedroeg gemiddeld 50% met zwenkingen van 5%. Deze konstante luchtvochtigheid geeft een aangenaam en gezond woonklimaat. Ze verhindert het uitdrogen van de slijmvliezen, reduceert de vorming van fijn stof in de lucht en voorkomt daarmee verkoudheidsverschijnselen.